METAALDETECTIE OLDAMBT

Tappen en kranen

In het verleden werd bier en wijn opgeslagen, vervoerd in en getapt uit houten vaten. Het tappen gebeurde met behulp van een buisvormige tap. Deze bestond uit een in de lengte doorboorde massieve staaf met aan de bovenzijde een handgreep. In de tap kon je bovenop een kraan plaatsen. 

In Nederland kwamen vanaf de 15e eeuw naast de houten tappen ook bronzen en geelkoperen exemplaren voor. Hierbij werd de tap en de kraan apart in een stuk gegoten. De handgrepen hadden meestal een siervorm die vooral praktisch was, namelijk om de kraan makkelijk te kunnen bedienen. In de 16e en 17e eeuw kwam vooral de driepas (drie elkaar rakende cirkels) als versiering voor. In de loop van de 17e eeuw kwam daar nog de cirkel- en de Franse lelie vorm bij. De versieringen werden vanaf de 18e eeuw verfijnder, met diermotieven zoals vogels en dolfijnen. Soms werd op de handgreep een merk van de maker aangebracht. Vanaf de 17e tot aan de 19e eeuw maakte de tap deel uit van de tuit of kraantjeskan.

De kraantjeskan is met enige zekerheid een Nederlands product. De tappen en kranen zelf vinden hun oorsprong in Duitsland. Neurenberg was vele eeuwen een van de grootste productiecentra.

Bron: Metaalvondsten uit onze bodem, uitgegeven door DDA

Rate this page
Sluit Menu